| |
Ontwikkeling
en diversiteit van schapenrassen
Lang geleden
leefden in Noord Europa Keltische schapen, die klein en donker waren.
Ze hadden een korte staart, korte oren, een lange rechte smalle neus
en vier horens. Bovendien verloren deze schapen vanzelf hun vacht. Rassen
van vandaag de dag die aan dit type herinneren zijn bijvoorbeeld de
Hebridean, Manx Loghtan, Shetland.
De Romeinen brachten rond 50 voor Christus schapen mee van een heel
ander type. Deze schapen waren groter, hadden geen of eventueel twee
horens, langere staarten en grotere oren. Ook had dit type schaap een
kromme neus. Een dergelijke neus wordt dan ook 'romeinse neus' genoemd.
In de echte lansvormige Keltische staart zaten 13 botjes. De romeinse
staart had 22 botjes.
Door menselijke selectie kenden de Romeinse schapen geen natuurlijke
rui meer. Een heel belangrijk verschil was ook dat deze schapen witte
wol hadden. Witte wol was veel kostbaarder dan donkere omdat het in
allerlei kleuren kon worden geverfd. Omdat boeren de Romeinse schapen
kruisten met de eigen kudde ontstonden er 3 hoofdkleuren: wit, zwart
en rood.
|